Nieuwsbrief 1 Januari 2011

2011


Een nieuw jaar brengt nieuwe kansen. We moeten ze dan wel zelf willen
grijpen. Ik wil alle lezers van de nieuwsbrief een voorspoedig en bovenal
gezond 2011 toewensen.
Mogelijk dat het U opgevallen is dat U deze nieuwsbrief niet meer via de
e-mail ontvangt. De reden is dat het adressenbestand zowel als de back-up
hiervan gecrasht is. Daarom de vraag aan eenieder die de nieuwsbrief ook
weer digitaal wenst te ontvangen om dit middels een e-mail kenbaar te maken.
(Cette adresse e-mail est protégée contre les robots spammeurs. Vous devez activer le JavaScript pour la visualiser.)

In oktober en november van het afgelopen jaar schreef ik een en ander over de
virussen die in mijn optiek deel uitmaken van het jonge duivensyndroom . Het
betrof het Circovirus en het Herpesvirus. In deze nieuwsbrief wil ik aandacht
besteden aan de derde pijler onder dit syndroom namelijk het Adenovirus.
In de volksmond vaak “Coli” genoemd. Dit is echter een misleidende term.
Ik denk dat we de E. colibacterie

wel een rol mogen toedichten in het jonge
duivensyndroom, maar “Adeno” en “Coli” zijn echt heel verschillende
begrippen.

 

Als we het over Adeno hebben bedoelen we het Adenovirus en als we het over
Coli hebben doelen we op een bacterie. Het een is dus een virus en de andere
een bacterie. Dit heeft grote consequenties voor de behandeling. Tegen bacteriën
kunnen we nog iets ondernemen. Voor de virusinfecties ligt dit toch al veel
moeilijker.
Van oudsher weten de duivenmelkers dat er vaak sprake is van een
gecombineerde aandoening. Dus een besmetting door het Adenovirus waar de
secundaire besmetting met de E.Coli-bacterie het probleem alleen maar erger
wordt. In de praktijk wordt vaak gesproken in termen als: ‘Ik heb de Coli aan de
duiven’.

Door het gebruik van allerlei termen door elkaar is de helderheid omtrent
deze ziekte een beetje naar de achtergrond verschoven. Ik merk dat steeds
meer liefhebbers door de bomen het bos niet meer lijken te zien. Zeker nu
ook nog eens andere virussen en bacteriën een rol lijken te gaan spelen bij het
ziektebeeld waardoor we het hele ziektebeeld daarom beter kunnen vangen
onder de term ‘jonge duiven syndroom’.

De wetenschap probeert meestal juist de verschillende veroorzakers van
een ziektebeeld van elkaar te scheiden. Uit het oogpunt van de wetenschap
lovenswaardig en zonder meer correct. Maar deze nieuwsbrief streeft een
praktische benadering na. Het is inmiddels een gegeven dat het ziektebeeld dat
met name de jonge duiven ieder jaar lijkt te treffen niet altijd meer simpel te
vangen is onder de naam Adeno of Adenocoli of Coli. Er spelen meer factoren
een rol en daar wil ik verderop in deze nieuwsbrief verder op ingaan.


Adenovirose


Als we eerst kijken naar het Adenovirus zelf dan kunnen we ons daarna richten
op de secundaire infecties en de rol van dit virus bij het jonge duiven syndroom.
Het Adenovirus bij duiven is al tientallen jaren bekend, maar vooral de laatste
15-20 jaar is de betekenis van dit virus voor de duiven toegenomen. Er worden
in principe twee ziektebeelden onderscheiden.
Klassieke vorm.
De zgn. klassieke vorm komt vooral bij de jonge duiven onder het jaar voor.
We zien de zieke duiven vooral tussen maart en juli met een piek in juni. In de
overige maanden komen veel minder gevallen van deze vorm van Adnovirose
voor.

Een ander ziektebeeld dat aan het Adenovirus wordt toegeschreven is de zgn.
necrotiserende hepatitis (leverontsteking met verval), waarbij het sterke verval
van de lever op de voorgrond treedt, Die ziektebeeld verloopt veel dramatischer
dan de klassieke vorm. Dit ziektebeeld kan het hele jaar door voorkomen en kan
duiven van elke leeftijd aantasten.

Wijze van besmetting

Bij de klassieke vorm besmetten de jonge duiven zich voornamelijk via de
reismanden zodra de opleervluchten van start gaan. Er wordt van uitgegaan dat
er gezonde dragers voorkomen die op deze wijze gevoelige duiven besmetten.
De ziekte kan ontstaan door contact met zieke duiven of door contact met de
ontlasting van zieke duiven. Besmettingen tot 80% van de hokken komen voor.
De incubatietijd is de tijd tussen het besmet raken en de eerste
ziekteverschijnselen. Deze tijd is doorgaans zeer kort. Twee tot drie dagen na de
besmettingen is het virus al weer uit de darm verdwenen. Meestal wordt in korte
tijd het hele hok via de mest besmet.

Het virus veroorzaakt ernstige darmletsels die bacteriën, zoals E. coli, maar
ook Hexamiten,en gisten zoals Candida de kans bieden om zich sterk te
gaan ontwikkelen waardoor het ziektebeeld nog kan verergeren. Door de
beschadiging van de darmwand in combinatie met de sterke vermeerdering van
bacteriën neemt de kans op bloedvergiftiging (sepsis) toe.
Hoewel de besmetting meestal terug te wijzen is op contact met andere duiven
in reismanden, komen ook ziektegevallen voor bij duiven die nooit buiten zijn
geweest. Dat is terug te wijzen op de aanwezigheid van gezonde dragers die
plotseling veel virus gaan produceren waardoor de ziekte tot uiting komt.

Hoewel de klassieke vorm vooral aantasting van de darm veroorzaakt, kan het
virus zich ook in de levercellen vermenigvuldigen. Dit is de verklaring voor
het feit dat in een aantal gevallen de aangetaste duiven slechts traag van de
doorgemaakte infectie herstellen.


Ziektebeeld

De dieren die besmet raken vertonen gewichtsverlies, braken en diarree. Dit
wordt dan veroorzaakt door de vermeerdering van het virus in de darmcellen.
De sterfte die optreedt bij dit ziektebeeld wordt meestal veroorzaakt door de
verergering door bacteriën als de E. coli. Deze dieren krijgen dan last van
stinkende groene diarree en uitdroging. Het virus zelf is doorgaans weer
snel (rond de drie dagen) uit de darm verdwenen. Als de symptomen langer
aanhouden worden deze veroorzaakt door de secundaire infecties.
Duiven die lijden aan de necrotiserende hepatitis sterven doorgaans binnen 24-
48 uur, waarbij de enige symptomen soms braken en gele ontlasting zijn.
Vaak sterft 30% van de dieren op het hok. Gedurende een periode van 6 weken
kunnen nieuwe ziektegevallen voorkomen. Tussen de zieke duiven zitten dan
duiven die klinisch nergens last van hebben.
Het kan zelfs zo zijn dat de nestjongen normaal opgroeien terwijl een van de
ouders aan de ziekte bezwijkt.


Diagnostiek.

De diagnose wordt deels gesteld door de klinische verschijnselen, de leeftijd der
dieren en het tijdstip van het jaar. Evenwel zijn er meerdere oorzaken die deze
symptomen kunnen veroorzaken. Bevestiging middels nader onderzoek is dan
soms ook gewenst. Het was daarvoor tot voor kort noodzakelijk om via sectie
en histologisch onderzoek de diagnose te bevestigen. Inmiddels hebben we de
beschikking over testen waarmee we binnen vijf minuten de aanwezigheid van
het virus kunnen aantonen. Een grote sprong voorwaarts in de diagnostiek.
Behandeling

Tegen het Adenovirus zelf is weinig te ondernemen. Er bestaat nog geen vaccin
tegen dit virus. Het Adenovaccin voor kippen dat door sommigen wordt ingezet
Heeft geen nut. De fabrikant deelt mee dat het geen werking heeft bij duiven.
Maar ja als een liefhebber ze er mee inent en hij krijgt dat jaar geen Adeno
dan is deze al gauw overtuigd dat het door dit vaccin komt. Helaas hebben we
diverse hokken gezien waar Adeno toch voorkwam na enting met dit vaccin.
Zolang er geen vaccin beschikbaar is moet de behandeling zich vooral richten
op de preventie door de weerstand van de duiven op een hoger plan te brengen,
stress trachten te vermijden en in geval van een uitbraak een goed middel in
te zetten wat de infectiedruk van ziekteverwekkende darmbacteriën helpt te
verlagen, dan wel de ziekteverwekkende bacteriën afdoodt. Omdat bij de jonge
duiven vaak ook latent een besmetting met Hexamiten voorkomt is het ook goed
deze parasiet gelijktijdig te bestrijden.

Naast de behandeling met een gericht antibioticum is ondersteuning van de
vochtbalans veelal aangewezen omdat de dieren door de heftige diarree veel
vocht kunnen verliezen en daardoor sterk kunnen uitdrogen.Men kan dit
bereiken door een elektrolytenhoudende drank te verstrekken. Bijvoorbeeld
Bony Bolectrol Plus. Ter ondersteuning kunnen na de behandeling probiotica verstrekt
worden.
De duifspecifieke probiotica dragen bij aan een sneller herstel van de gezonde
darmflora na de diarree en de antibioticagift.

Bespreking:

Als we te maken hebben met een heftige uitbraak van het Adenovirus of liever
van het jonge duivensyndroom, immers de zuivere Adeno gevallen worden vaak
vertroebeld door bijkomende andere infecties, dan is ingrijpen met medicijnen
veelal onvermijdelijk.
Als we in ogenschouw nemen dat tegen het Adenovirus zelf weinig te doen
is, simpelweg omdat er weinig medicijnen zijn met een (betaalbare) antivirale
werking hebben, moet we ons vooral richten op de voorkoming van deze
kwalen.
Zoals bij de bespreking van het virus reeds werd besproken komen er zeer
waarschijnlijk gezonde dragers voor. Duiven die het adenovirus bij zich
dragen maar toch niet ziek worden. Duiven die experimenteel onder normale
hokomstandigheden kunstmatig worden besmet worden vaak niet ziek. Er
moeten dus andere factoren in het spel zijn die bijdragen aan het uitbreken
van de ziekte. Daarbij speelt in ieder geval de factor stress een rol. Deze stress
zien we normaal dus vooral tijdens de opleervluchten. Toename van stress en
daarmee de virusvermeerdering zorgen dan voor de verspreiding van tot dan toe
ogenschijnlijk gezonde duiven.

Hoewel er nooit sprake kan zijn van 100% succes is duidelijk dat preventieve
behandelingen die gericht zijn op een ondersteuning van de gezonde darmflora
en beperking van de stress wezenlijk bij kunnen dragen aan de beperking van de
uitbraak van deze ziekte.
Daartoe hoort in principe niet het preventief kuren met antibiotica omdat deze
niet alleen de ziekteverwekkende darmbacteriën aantasten maar ook de goede
die de duif nodig heeft.
Probiotica, verzuring van het drinkwater of producten als de Bony SGR en de
Bony Sambucca plus kunnen in deze behulpzaam zijn.

De praktijk wijst uit dat jonge duiven die na het afzetten een kuur van een week
tot tien dagen met Bony SGR krijgen en daarna 2 x per week minder last hebben
van een eventuele uitbraak van het Adenovirus. De uitbraken zelf worden er al
flink door beperkt. Maar duiven die op deze manier ondersteund worden lijken
beter op de soms noodzakelijke medicamenteuze behandeling te reageren en
weer sneller terug in conditie te zijn.

Zoals in vorige nieuwsbrieven al uitgebreid werd beschreven hebben we meer
en meer te maken bij de jonge duiven met een combinatie aan ziekteverwekkers
die ogenschijnlijk dezelfde symptomen geven maar die toch allemaal een andere
achtergrond hebben. Vandaar dat ik daarom liever spreek van het jonge duiven
syndroom.
De preventieve aanpak blijft hetzelfde. Namelijk optimaliseren van de afweer
en ondersteuning van de darm en de darmflora waardoor de pathogenen minder
grip krijgen op de patiënten.

Het blijft in de specifieke gevallen wel noodzakelijk om de veroorzaker vast te
stellen zodat meer gericht behandeld kan worden.
De mate waarin het jonge duivensyndroom van zich doet spreken maakt de
preventieve gezondheidszorg alleen maar belangrijker om de infectiedruk te
kunnen blijven beheersen.

In onze kliniek bestaat de preventieve gezondheidszorg enerzijds uit het blijven
monitoren van de duiven middels onderzoek. Anderzijds zetten we de (jonge)
duiven op het Basissysteem bestaande uit Bony SGR (bij het afzetten een week
lang en daarna twee maal per week) Bony Basiskern en BMT over het voer 1 x
per week samen met Nucleovit en verder (eventueel) Bony M en Bony mineral.
De jonge duiven kunnen hiermee doorgaans zonder problemen goed opgroeien
en hebben in de meeste gavallen zo ook geen of heel weinig medicatie nodig.


Succes

Peter Boskamp